Aansprakelijkheid bestuurder voor belastingen en bijkomende kosten

De Invorderingswet regelt de aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap voor belastingschulden van de vennootschap, die materieel zijn ontstaan voor of tijdens de periode waarin de betrokkene bestuurder is of was. De aansprakelijkheid voor deze belastingschulden eindigt niet als de betrokkene geen bestuurder meer is of als de vennootschap wordt ontbonden. Dat geldt ook indien de voormalige bestuurder na de ontbinding wordt belast met de vereffening van het vermogen van de vennootschap. In dat geval kan hij onder voorwaarden aansprakelijk zijn voor alle (andere) rijksbelastingen die de vennootschap verschuldigd is of na ontbinding wordt. Deze mogelijkheid verhindert een aansprakelijkstelling op grond van zijn bestuurderschap niet.

De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Den Haag over de aansprakelijkheid van een gewezen bestuurder van een vof vernietigd. Het hof heeft in zijn uitspraak geen afzonderlijke overwegingen gewijd aan de aansprakelijkheid van de bestuurder voor de bijkomende bedragen. Het heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd.

De Hoge Raad merkt op dat voor een belastingschuld geldt dat een bestuurder niet aansprakelijk is voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan. Ten aanzien van de bijkomende bedragen dient de ontvanger te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen dat het verschuldigd worden van die bedragen aan de aansprakelijke bestuurder is te wijten. Hof Amsterdam dient de zaak nu verder te behandelen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2022766, 20/01702 | 26-05-2022

Aanpassing termijn betalingsregeling

De staatssecretaris van Financiën heeft de Leidraad Invordering gewijzigd. De wijziging betreft de ingangsdatum van een met de ontvanger te treffen betalingsregeling. De maximale termijn van een betalingsregeling bedraagt twaalf maanden, gerekend vanaf de uiterste betaaldatum van de belastingaanslag. In verband met de gevolgen van de coronacrisis heeft de staatssecretaris mogelijk gemaakt dat de looptijd van de betalingsregeling begint op de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. De betalingsregeling zal worden toegekend onder de gebruikelijke voorwaarden. Deze goedkeuring geldt voor alle verzoeken om uitstel van betaling die ondernemers tot en met 30 september 2022 indienen. De goedkeuring geldt ook voor verzoeken die voor 1 april 2022 zijn ingediend als de ontvanger daar nog niet op heeft beslist.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | nr. 2022 – 121239, Staatscourant 2022, Nr. 12325 | 08-05-2022

Wijziging Leidraad Invordering

Vooruitlopend op een wijziging van wet- en regelgeving heeft de staatssecretaris van Financiën in de Leidraad Invordering een oplossing geboden voor schrijnende situaties met betrekking tot verschuldigde erfbelasting.

De regeling houdt in dat de ontvanger voor de duur van ten minste vijf jaar uitstel van betaling verleent aan een natuurlijk persoon, als betaling van de verschuldigde erfbelasting binnen de wettelijke termijn voor de betrokkene tot een schrijnende situatie zou leiden. De goedkeurende regeling geldt ook voor andere belastingaanslagen die onderdeel zijn van de boedel van een nalatenschap van een natuurlijk persoon als betaling binnen de wettelijke betalingstermijn bij de erfgenaam tot een schrijnende situatie zou leiden.

Een voorbeeld van een schrijnende situatie is een minderjarige, die door het overlijden van een familielid met een aanslag erfbelasting of inkomstenbelasting wordt geconfronteerd en nagenoeg alleen vermogen erft in de vorm van een vermogensbestanddeel dat een eerste levensbehoefte is, zoals de ouderlijke woning. De minderjarige heeft naast dit vermogensbestanddeel niet of nauwelijks inkomen of ander vermogen om de belastingaanslag(en) te kunnen betalen, terwijl niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare termijn verandering in komt. De ontvanger kan in deze situaties uitstel van betaling verlenen voor de duur van ten minste vijf jaar. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden kan de ontvanger een langere termijn toestaan. De ontvanger zal in beginsel aan het uitstel van betaling de voorwaarde verbinden dat de belastingschuldige voldoende zekerheid stelt.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | nr. 2021-14323, Staatscourant 2021, Nr. 33908 | 30-06-2021

Kamervragen lage korting betaling ineens

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de omvang van de betalingskorting voor voorlopige aanslagen beantwoord. De betalingskorting geldt bij betaling ineens van een voorlopige aanslag die betrekking heeft op het jaar waarin de aanslag wordt opgelegd. Als alternatief kan gekozen worden voor betaling in termijnen. De betalingskorting is dit jaar zeer laag uitgevallen als gevolg van het verlagen van de invorderingsrente van 4 naar 0,01%. Deze verlaging is onderdeel van de fiscale coronamaatregelen. De hoogte van de betalingskorting is gekoppeld aan de invorderingsrente. Dat is geregeld in de Invorderingswet. De staatssecretaris erkent dat de communicatie over de betalingskorting beter had gekund.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000023839 | 09-02-2021

Aansprakelijkheid bestuurder

De bestuurder van een vennootschap is in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die de vennootschap verschuldigd is. De vennootschap is verplicht om zodra gebleken is dat zij de verschuldigde belasting niet kan betalen daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de Belastingdienst. De mededeling van betalingsonmacht moet uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting moet zijn voldaan worden gedaan. Is de melding van de betalingsonmacht op de juiste wijze gedaan, dan is de bestuurder alleen aansprakelijk als het niet betalen van de belastingschuld te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur in de afgelopen drie jaren. De bewijslast voor het onbehoorlijke bestuur ligt bij de Belastingdienst. Wanneer de melding van betalingsonmacht niet op de juiste wijze is gedaan, geldt het wettelijk vermoeden dat het niet betalen aan de bestuurder te wijten is. De bestuurder wordt alleen toegelaten tot weerlegging van dat vermoeden, wanneer hij aannemelijk maakt dat het niet op juiste wijze melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is.

Twee bv’s hadden de verschuldigde loonbelasting over de maand september 2013 uiterlijk 31 oktober 2013 moeten betalen. Dat gebeurde niet. De melding van betalingsonmacht had voor of op 14 november 2013 gedaan moeten worden. De melding vond echter pas op 26 november 2013 plaats. Door de te late melding gold het vermoeden dat het niet betalen van de naheffingsaanslag over september 2013 aan de enige bestuurder van de vennootschappen te wijten was. Naar het oordeel van de rechtbank is de bestuurder daarvoor terecht aansprakelijk gesteld.

Melding van betalingsonmacht over de tijdvakken oktober en november 2013 moest uiterlijk 14 december 2013 respectievelijk 14 januari 2014 plaatsvinden. Deze meldingen waren op 26 november 2013, gelijk met de melding over september gedaan. Deze meldingen waren dus tijdig gedaan. De Belastingdienst diende daarom aannemelijk te maken dat het niet betalen van de over deze maanden opgelegde naheffingsaanslagen het gevolg was van aan de bestuurder te wijten onbehoorlijk bestuur. De beide vennootschappen hielden zich bezig met het uitlenen van personeel aan een gelieerde vennootschap. Voor deze diensten werd geen reële zakelijke prijs betaald. De bestuurder had redelijkerwijs kunnen weten dat beide bv’s hun verplichtingen jegens de Belastingdienst niet konden nakomen. Volgens de rechtbank heeft de bestuurder zich schuldig gemaakt aan onbehoorlijk bestuur van de vennootschappen. Naar het oordeel van de rechtbank is hij terecht aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken oktober en november 2013.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA201912474, SGR 19/2679 en 19/2681 | 20-02-2020

Geen invorderingsrente als aanmaning tot betaling niet is ontvangen

Bij betaling van een belastingaanslag nadat de betaaltermijn is verstreken, brengt de Ontvanger invorderingsrente in rekening.

In een arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Belastingdienst geen verzuimboete op mag leggen als een belastingplichtige de aanmaning niet heeft ontvangen, tenzij het niet ontvangen van de aanmaning aan de belastingplichtige is toe te rekenen. Volgens de Hoge Raad geldt dat ook voor het verschuldigd worden van invorderingsrente.

De Ontvanger mocht geen invorderingsrente in rekening brengen aan een belanghebbende die erin is geslaagd om het vermoeden van ontvangst van de te laat betaalde belastingaanslag te ontzenuwen. De Ontvanger was er vervolgens niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de aanslag de belanghebbende wel heeft bereikt of dat het niet ontvangen de belanghebbende was aan te rekenen. Volgens de Hoge Raad is de rechter niet verplicht om een onderzoek in te stellen naar de door de Ontvanger in dit verband gestelde en aannemelijk te maken feiten.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20191439, 19/00151 | 17-10-2019