Lening omkatten naar vergoeding redt aftrek niet

Een bv drijft een uitzendbureau en een klussenbedrijf. De enige aandeelhouder is een vrouw, die samen met haar partner bestuurder is. De bv heeft twee vorderingen die zij in 2020 wil afwaarderen. De eerste vordering van ruim € 74.000 betreft de zoon van de partner. Hij heeft met geld van de bv gegokt op internet. De tweede vordering van € 97.000 betreft de partner zelf, aan wie de bv een lening heeft verstrekt zonder zekerheden. Beide schuldenaren ondertekenen eind 2020 een brief waarin zij verklaren slechts een fractie te kunnen terugbetalen. De bv boekt de vorderingen af als bijzondere lasten. De inspecteur weigert deze afwaardering, waarna de bv besluit de lening om te zetten in een vergoeding voor verrichte werkzaamheden.

Geen reden voor afwaardering in 2020

De rechtbank oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is om de vordering op de zoon juist in 2020 af te waarderen. De zoon is in loondienst bij de bv en had de vordering in termijnen kunnen terugbetalen. Sterker nog: in 2022 betaalt hij alsnog bijna € 50.000 terug. Waarom er in 2020 geen afbetalingsregeling is afgesproken, kan de bv niet uitleggen.

Omzetting lening ongeloofwaardig

Voor de vordering op de partner pakt de rechtbank zwaarder uit. De bv erkent in haar beroepschrift dat de lening is omgezet in een vergoeding voor werkzaamheden, uitsluitend omdat kwijtschelding fiscaal niet aftrekbaar zou zijn. De rechtbank acht die handelswijze ingegeven door de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder en haar relatie met de partner, niet door zakelijke motieven. De bv stelt dat de partner cruciale werkzaamheden verrichtte en het boekenonderzoek begeleidde. De rechtbank vindt dat volstrekt ongeloofwaardig. De reguliere beloning van de partner bedroeg in de jaren 2018 tot en met 2021 slechts € 8.000 tot € 14.000 per jaar. Waarom zou hij opeens recht hebben op een extra vergoeding van € 97.000? De aftrek is terecht geweigerd.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3026 | 16-04-2026

Voorraad herwaarderen via kapitaalrekening leidt tot winstcorrectie

Twee vennoten handelen via een vof in Amerikaanse auto-onderdelen. Na een computercrash raken zij hun administratie kwijt. Om de aangifte sluitend te krijgen, waarderen zij de voorraad tegen actuele prijzen in plaats van de historische kostprijs. Het verschil boeken zij via de kapitaalrekening. De inspecteur accepteert dit niet. De herwaardering hoort in de winst. De ondernemer verweert zich met een beroep op de foutenleer.

Vermogenssprong 

De inspecteur constateert dat het eindvermogen van de vof per 31 december 2018 niet aansluit bij het beginvermogen per 1 januari 2019. Het verschil bedraagt € 219.384. De ondernemer verklaart dat dit komt door een computercrash, waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Om de administratie te kunnen reconstrueren, heeft hij de voorraad gewaardeerd tegen de actuele inkoopprijzen per 1 januari 2021 in plaats van de historische kostprijs. Het verschil heeft hij geboekt op de kapitaalrekening van de andere vennoot.

Historische kostprijs is de norm

De inspecteur stelt dat voorraad fiscaal moet worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Een herwaardering naar actuele prijzen is in strijd met goed koopmansgebruik. Bovendien mag een herwaardering niet via de kapitaalrekening lopen, maar hoort zij thuis in de winst- en verliesrekening. Door de voorraad op te waarderen en het verschil buiten de winst te houden, verantwoordt de vof in latere jaren een te lage brutomarge en dus te weinig winst.

Correctie beperkt

De inspecteur corrigeert aanvankelijk het volledige verschil, maar herziet zijn standpunt in bezwaar. Uit de administratie blijkt dat de voorraad per 1 januari 2019 is gewaardeerd op € 340.000, terwijl de balans per 31 december 2018 een voorraad vermeldt van € 177.968. Het verschil van € 162.032 is via de kapitaalrekening geboekt in plaats van via de winst. De inspecteur corrigeert daarom dit bedrag. Omdat de ondernemer voor 50% gerechtigd is tot de winst, bedraagt zijn correctie € 81.016.

Foutenleer biedt geen soelaas

De ondernemer stelt dat de oorzaak van het verschil in oude jaren ligt en dat een eventuele correctie daar moet plaatsvinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Ook als de fout in eerdere jaren is ontstaan, kan de inspecteur deze op grond van de foutenleer corrigeren in het oudste nog openstaande jaar. Dat is hier 2019. De totaalwinst moet immers worden belast. Een vermogenssprong die buiten de heffing blijft, is daarmee uitgesloten.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 | 30-04-2026

Geen onderneming? Dan ook geen faciliteiten

Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.

Correctie door de inspecteur

De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.

Winst uit onderneming

Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

Geen objectieve winstverwachting

De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.

Urencriterium

De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 | 13-04-2026

Woonkamer zonder eigen toilet is geen zelfstandige werkruimte

Een zelfstandig sportinstructeur maakt tijdens de coronalockdown instructievideo’s vanuit haar woonkamer. Zij brengt een deel van de huur van haar appartement ten laste van haar winst. De inspecteur weigert de aftrek, omdat de woonkamer geen zelfstandige werkruimte is. De onderneemster stelt dat de verkeersopvattingen door de coronacrisis zijn veranderd: thuiswerken is immers normaal geworden. Heeft zij recht op aftrek van de huurkosten?

Woonkamer

Een vrouw huurt een appartement voor € 700 per maand. Het appartement heeft één toilet en één badkamer. De ruimtes zijn van elkaar af te scheiden door binnendeuren. De vrouw heeft een eenmanszaak waarmee zij lesgeeft in zumba, yoga, barre en pilates bij diverse sportscholen. Daarnaast verzorgt zij kookworkshops. In 2020 maakt zij vanuit haar woonkamer instructievideo’s en podcasts tijdens de coronalockdown. Zij brengt € 5.400 aan huurkosten ten laste van haar winst uit onderneming. De inspecteur corrigeert deze aftrekpost.

Werkruimte

Kosten van een werkruimte in de eigen woning zijn alleen aftrekbaar als die ruimte naar verkeersopvatting een zelfstandig gedeelte vormt. De onderneemster stelt dat haar woonkamer daaraan voldoet. De ruimte heeft een eigen deur en fungeert als studioruimte. Zij woont naar eigen zeggen in de keuken en slaapkamer. Bovendien zijn de verkeersopvattingen veranderd door de coronacrisis, toen thuiswerken de norm werd. De inspecteur betwist dat de woonkamer zelfstandig is.

Zelfstandigheid

Het hof oordeelt dat de woonkamer geen zelfstandig gedeelte van het appartement vormt. Voor zelfstandigheid is vereist dat de ruimte door uiterlijke kenmerken duidelijk te onderscheiden is, bijvoorbeeld door een eigen opgang of ingang én eigen sanitaire voorzieningen. Het toilet en de badkamer behoren tot het appartement als geheel en niet tot de woonkamer. Zonder eigen toilet heeft de woonkamer onvoldoende zelfstandigheid om als aparte werkruimte te kwalificeren. Dat tijdens de coronacrisis vaker thuis werd gewerkt, verandert de verkeersopvattingen niet zodanig dat de behoefte aan eigen sanitair minder belangrijk is geworden. De huurkosten zijn niet aftrekbaar.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:698 | 02-02-2026

Geen piekvereiste voor fiscale onderhoudsvoorziening

Een woningcorporatie vormt een fiscale voorziening voor toekomstig onderhoud aan haar woningcomplexen. De inspecteur stelt dat dit alleen mag als de onderhoudsuitgaven in een jaar substantieel hoger zijn dan gemiddeld: het zogenoemde piekvereiste. Als de uitgaven zich gelijkmatig over de jaren verdelen, is er volgens de inspecteur geen rechtvaardiging voor een voorziening. De woningcorporatie is het daarmee oneens. Geldt voor een onderhoudsvoorziening een piekvereiste?

Onderhoudsvoorziening

Een woningcorporatie bezit ruim 33.000 verhuureenheden, verdeeld over ongeveer 600 complexen. In haar aangifte vennootschapsbelasting 2016 neemt zij een onderhoudsvoorziening op van € 143 miljoen. De inspecteur corrigeert het volledige bedrag. Partijen leggen hun geschil voor aan de rechter en komen overeen dat de voorziening € 54 miljoen bedraagt als geen piekvereiste geldt en vrijwel nihil als dat wel het geval is.

Piekvereiste

De inspecteur stelt dat een onderhoudsvoorziening alleen mag worden gevormd als de toekomstige uitgaven substantieel afwijken van de gemiddelde jaarlijkse onderhoudskosten. Hij baseert dit op een arrest van de Hoge Raad uit 1980 over de kostenegalisatiereserve. Daarin is bepaald dat een dergelijke reserve kan worden gevormd voor niet jaarlijks tot uitgaven leidend onderhoud, mits relatief van enige betekenis. Volgens de inspecteur geldt dit criterium ook voor de onderhoudsvoorziening.

Baksteenarrest

Het hof oordeelt dat voor een onderhoudsvoorziening geen piekvereiste geldt. Volgens het Baksteenarrest mag een voorziening worden gevormd als de uitgaven hun oorsprong vinden in feiten vóór de balansdatum, zij aan die periode kunnen worden toegerekend en met een redelijke mate van zekerheid zullen plaatsvinden. Het Baksteenarrest biedt geen aanknopingspunten voor een piekvereiste.

Reserve vs voorziening

Het arrest uit 1980 waarop de inspecteur zich beroept, betrof de kostenegalisatiereserve en niet de onderhoudsvoorziening. Een kostenegalisatiereserve is fiscaal eigen vermogen, gebaseerd op een wettelijke bepaling en gericht op egalisatie van kosten. Een voorziening daarentegen is vreemd vermogen, gebaseerd op goed koopmansgebruik en gericht op het toedelen van uitgaven aan de jaren waarin zij thuishoren. Beide zijn geen vergelijkbare fenomenen. Het hof bevestigt dat voor een fiscale onderhoudsvoorziening alleen de criteria uit het Baksteenarrest gelden: oorsprong, toerekening en zekerheid. Een piekvereiste is niet aan de orde. Ook als de onderhoudsuitgaven zich gelijkmatig over de jaren verdelen, mag een voorziening worden gevormd. De inspecteur kan tegen deze uitspraak cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3707 | 23-12-2025

Jeugdzorginstelling brengt privéfeest en familiereis in aftrek

Een bv die een jeugdzorginstelling drijft, brengt jarenlang forse bedragen in aftrek voor verbouwingen, een buitenlandse reis en een personeelsfeest. De inspecteur corrigeert de kosten na een anonieme tip en legt vergrijpboetes op. Volgens de inspecteur gaat het om privéuitgaven van de aandeelhouders en om facturen zonder tegenprestatie. De bv stelt dat de kosten zakelijk zijn en dat de boetes daarom onterecht zijn opgelegd. De vraag is of de aftrek standhoudt. 

Anonieme tip leidt tot boekenonderzoek

De FIOD ontvangt in 2016 een anonieme klikbrief over de bv. De tipgever schrijft dat de drie broers, die indirect aandeelhouders en bestuurders van de bv zijn, facturen laten opmaken voor diensten die nooit zijn geleverd. Er volgt een boekenonderzoek. De inspecteur treft facturen aan voor verbouwingen van ruim € 244.000, een buitenlandse reis van € 20.000 en een ‘personeelsfeest’ van bijna € 56.000. Onderbouwing van deze facturen ontbreekt. Er zijn geen offertes, geen specificaties en geen urenregistraties aanwezig. De verbouwingsfacturen zijn bovendien deels contant betaald aan een vennootschap die later is overgedragen aan een katvanger en vervolgens is ontbonden.

Reis van drie weken met partners

De bv heeft een reis van ruim drie weken naar het buitenland als zakelijke kosten geboekt. Volgens de bestuurder ging het om een groepsreis ter bevordering van de samenwerking tussen de aandeelhouders. De partners mochten mee om de teamgeest te verbeteren. Het hof oordeelt dat het privékarakter zodanig overheerst dat sprake is van een winstuitdeling. De combinatie van de duur, het verblijf op twee locaties en het meereizen van partners maakt dat de bv haar aandeelhouders heeft willen bevoordelen. De aandeelhouders moeten zich van de bevoordeling bewust zijn geweest.

Buitenlandse belastingdienst onthult ware aard personeelsfeest

De bv claimt dat het ‘personeelsfeest’ een evenement was voor personeel, cliënten en hun kinderen. Via een renseignement van de buitenlandse fiscale autoriteiten komt een ander beeld naar voren. Anders dan de bv stelde, duurde het feest tot diep in de nacht. Er waren 400 gasten, een viergangenmenu, vuurwerk en een witte loper naar de dansvloer. De offerte was bovendien gericht aan een van de aandeelhouders persoonlijk en het hof concludeert dat het ‘personeelsfeest’ als een privéfeest aangemerkt moet worden. De kosten zijn daarmee terecht als winstuitdeling aangemerkt.

Patroon rechtvaardigt vergrijpboetes

Het hof ziet een patroon: de bv brengt jarenlang forse bedragen in aftrek zonder deugdelijke onderbouwing. Dat gedrag is gericht op het betalen van te weinig belasting. De bv moet het gevolg hebben gewild of de kans daarop bewust hebben aanvaard. De vergrijpboetes wegens voorwaardelijk opzet worden alleen verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:2317 | 11-08-2025

Verhuizen vanwege geluidsoverlast levert geen aftrek op

Als een ondernemer verhuist, kan hij onder voorwaarden, naast de kosten van het overbrengen van de inboedel, een bedrag van € 7.750 aftrekken van de winst. Dit verhuiskostenforfait is alleen aftrekbaar bij een zakelijke verhuizing. Een verhuizing om persoonlijke redenen of een aantrekkelijkere woning kwalificeert niet. De verhuizing moet noodzakelijk zijn voor de werkzaamheden of gericht zijn op het beperken van zakelijke kosten. Is verhuizen vanwege geluidsoverlast een zakelijke verhuizing?

Overlast van de bovenbuurman

Een man werkt 4,5 tot 5 dagen per week als docent in loondienst. Daarnaast schrijft hij onbezoldigd aan een proefschrift en verricht hij incidenteel werkzaamheden als annotator en juridisch adviseur. De docent woont in een huurwoning in Amsterdam, waar hij last heeft van geluidshinder. Een akoestisch onderzoek bevestigt de overlast. In augustus 2016 verhuist de man naar een grotere en duurdere huurwoning elders. In zijn aangifte claimt hij het verhuiskostenforfait van € 7.750 als aftrekpost bij zijn resultaat uit overige werkzaamheden. Volgens hem was de verhuizing noodzakelijk om zijn werkzaamheden te kunnen voortzetten.

Persoonlijk motief, geen zakelijke aftrek

Het hof staat de aftrek niet toe. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geluidsoverlast hem daadwerkelijk belemmerde in het verrichten van zijn werkzaamheden. Hij erkent zelf dat de overlast hem beperkte in zijn woongenot. Dat het daarnaast ‘niet fijn werken’ was, is onvoldoende. Bovendien wijst het hof erop dat de nieuwe woning groter en aantrekkelijker is, wat duidt op persoonlijke motieven.

Wanverhouding tussen kosten en inkomsten

Het hof voegt daar nog iets aan toe. De man verdiende vrijwel zijn gehele inkomen in loondienst. Zijn nevenactiviteiten leverden in 2016 slechts € 1.820 aan inkomsten op en namen na 2016 alleen maar af. Het zou volgens het hof alle redelijkheid te buiten gaan om voor zulke beperkte werkzaamheden verhuiskosten te maken. Er zou dan sprake zijn van een evidente wanverhouding tussen nut en uitgave.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2025:3025 | 21-07-2025

Lenen aan zuster zonder zekerheid

Een bv leent bijna drie ton aan haar zustervennootschap. Toen het misging en de lening waardeloos werd, wilde zij die afwaarderen ten laste van de winst. De Belastingdienst stak daar een stokje voor.

De lening zonder waarborgen

In 2017 en 2018 leent de bv respectievelijk € 270.000 en € 12.500 aan haar zustervennootschap. Beide vennootschappen hebben dezelfde dga. De leningovereenkomst werd achteraf opgesteld, was niet gedateerd en bevatte vage bepalingen. De aflossing en looptijd moesten nog nader bepaald worden. Daarnaast werden geen zekerheden afgesproken. Er werd geen pandrecht op de aandelen gevestigd. De zustervennootschap leent het geld direct door aan haar Duitse dochter, een GmbH die een kledingzaak exploiteert. Ook daarbij zijn geen concrete afspraken gemaakt over terugbetaling. Het eigen vermogen van de zuster was al negatief en werd alleen maar negatiever. De Duitse dochter deed het nog slechter, met een negatief eigen vermogen van € 166.122 eind 2018.

Afwaardering geblokkeerd

In 2019 en 2020 waardeert de bv de lening volledig af. De Belastingdienst weigert dit, met als argument dat het een onzakelijke lening betreft. Geen onafhankelijke derde zou onder deze voorwaarden hebben geleend aan een verlieslijdende vennootschap. De rechtbank is het met de Belastingdienst eens. Het debiteurenrisico is veel te groot. Er zijn geen echte zekerheden, geen aflossingsschema en geen concrete vooruitzichten op terugbetaling. Dat in Duitsland de dga als Gesellschafter hoofdelijk aansprakelijk is, doet er niet toe. De Duitse regels gelden niet voor de lening tussen de Nederlandse zussen.

De troostprijs via e-mail

Toch behaalt de bv nog een kleine overwinning. De inspecteur heeft in een e-mail toegezegd dat de rentevordering wel in aftrek mag worden gebracht. De inspecteur beweert later dat dit deel was van een compromisvoorstel, waar de bv niet op heeft gereageerd. De rechtbank oordeelt dat de toezegging over de rente losstaat van het compromis. De rente mag op grond van het vertrouwensbeginsel alsnog in mindering worden gebracht op de winst. 

Rechtbanken botsen over belastingrente

De bv vecht ook de belastingrente aan. Rechtbank Noord-Nederland oordeelde in soortgelijke zaken dat deze hoge rente onredelijk is. De overgang van 0,01 procent tijdens COVID naar 8 procent daarna is te gortig. Tegen die uitspraak loopt nu een sprongcassatie bij de Hoge Raad. De bv vraagt de rechtbank om te wachten tot de Hoge Raad de knoop doorhakt, maar de rechtbank weigert. Zij ziet geen reden om de wettelijke regeling opzij te zetten. De wetgever kiest bewust voor deze percentages na de COVID-periode. Dat andere rechtbanken er anders over denken, maakt voor deze zaak niet uit.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2025:9283 | 30-10-2025

Schoenherstelbedrijf verliest rechtszaak over gestolen kasomzet

Wie beweert dat geld gestolen is, moet dat kunnen aantonen. Een verhaal alleen is simpelweg niet genoeg. Een schoenherstelbedrijf uit Noord-Holland komt hier bij de rechtbank achter. De rechtbank gelooft niet in het verhaal over diefstal van € 42.844 aan kasomzet. Dat een diefstal van deze omvang pas na vijf jaar wordt ontdekt, is ongeloofwaardig.

Een sociale daad die verkeerd afloopt

Het begint allemaal als een goedbedoeld gebaar. De eigenaar van het schoenherstelbedrijf laat de zoon van een bevriende oud-schoenmaker op therapeutische basis in zijn winkel werken. Een kans voor iemand die het moeilijk heeft. Eind 2018 blijkt die man geld uit de kas te stelen en extra kasafslagen te maken. Wanneer dat uitkomt, betaalt de vader van de dief ruim € 900 terug. De eigenaar laat het daarbij. Naar eigen zeggen weet hij niet dat er meer verdwenen is.

Dan komt de Belastingdienst

Vijf jaar later komt de Belastingdienst de boeken controleren. De conclusie is dat er in 2018 maar liefst € 57.106 meer omzet is geweest dan de ondernemer heeft aangegeven. De reactie van de eigenaar is dat het geld gestolen moet zijn door de man die destijds in de winkel werkte. Hij wil daarom € 42.844 afgetrokken zien als kosten. De Belastingdienst gelooft er niets van. De zaak belandt bij de rechtbank.

De rechtbank heeft grote twijfels

Het oordeel van de rechtbank is dat er veel te weinig bewijs is. Het verhaal is ongeloofwaardig. De ondernemer geeft geen concrete uitleg over wanneer en hoe hij die grote diefstal precies heeft ontdekt. Hij kan niet toelichten hoe hij op het bedrag van € 42.844 komt. Er is geen aangifte bij de politie gedaan en er is geen enkele documentatie van kasverschillen overgelegd. Vooral dat laatste punt vindt de rechtbank veelzeggend. Het bedrijf maakt namelijk dagelijks kasafslagen waarop de contante en girale omzet staan vermeld. Een kasverschil van ruim veertigduizend euro moet daarop toch opvallen? Het is niet aannemelijk dat een diefstal van deze omvang pas bij controle door de Belastingdienst, vijf jaar na dato, aan het licht komt, oordeelt de rechter. Het wekt de schijn dat het verhaal pas verzonnen is op het moment dat de Belastingdienst met correcties komt.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2025:9380 | 07-08-2025

Geen voorziening voor toekomstige bedrijfsvoortzetting

Een varkenshouder vormt voorzieningen voor luchtwassers en asbestsanering. De inspecteur vordert na. Het hof oordeelt dat de voorzieningen terecht zijn gecorrigeerd. Voor investeringen ten behoeve van toekomstige bedrijfsvoortzetting kan geen voorziening worden gevormd ten laste van de winst

Oude stallen, nieuwe regels

Een maatschap exploiteert een varkensbedrijf met twaalf stallen op vier locaties. Alle stallen bevatten nog asbest. In de aangifte worden voorzieningen voor asbestsanering en voor luchtwassers opgenomen. De inspecteur stelt de aanslag conform de aangifte vast. Pas in 2020, bij een verzoek om geruisloze inbreng in een bv, vraagt de inspecteur om toelichting. In 2021 volgt een navorderingsaanslag waarbij beide voorzieningen worden gecorrigeerd.

Drie eisen voor een voorziening

Voor een voorziening gelden drie cumulatieve eisen. De uitgaven moeten:

  1. hun oorsprong vinden vóór de balansdatum;
  2. aan die periode kunnen worden toegerekend; en
  3. zich met redelijke zekerheid voordoen.

Het hof oordeelt dat de uitgaven voor luchtwassers niet voldoen aan de toerekeningseis. De kosten houden verband met voortzetting van het bedrijf na 2020 en kunnen daarom niet aan 2017 worden toegerekend. Voor de asbestsanering ontbreekt de vereiste zekerheid. Er was in 2017 geen wettelijke verplichting, alleen een wetsvoorstel voor een verbod vanaf 2025. De offerte dateert van na de balansdatum. De varkenshouder heeft niet aangetoond dat hij voor eind 2017 concrete plannen had voor sanering.

Geen ambtelijk verzuim of gewekt vertrouwen

De varkenshouder stelt dat de inspecteur de voorzieningen bij de primitieve aanslag had moeten onderzoeken. Het hof verwerpt dit. De inspecteur mag uitgaan van de juistheid van de aangifte. De hoogte van de dotaties was niet opvallend. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De varkenshouder heeft niet aangetoond dat de inspecteur bij een eerdere omzetbelastingcontrole heeft toegezegd dat de voorzieningen zouden worden geaccepteerd. Dat de inspecteur de voorzieningen bij de latere vpb-aanslag heeft geaccepteerd, zegt niets over de aftrekbaarheid in 2017. Bij iedere balansdatum moet opnieuw worden beoordeeld of aan de drie eisen is voldaan.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:2766 | 02-09-2025